About me

Als choreograaf en danseres ben ik beïnvloed door verschillende systematische analyse- en compositiemethodes, door kunstenaars die werken met technologie en door bepaalde filosofische stromingen.

Compositiemethodes

Laban/Bartenieff – Mijn visie op dans is terug te leiden naar het expressionisme, het daaruit voortgevloeide Tanztheater, postmodernisme en de hedendaagse vorm van Laban/Bartenieff bewegingsanalyse: ‘LabanMovement Theory explores the whole body as an entity that interacts with and has an impact on the environment in which it lives’. (Billingham, 2009). Ten tijde van het expressionisme heeft Rudolf Laban een methode ontwikkelend om menselijke beweging te observeren en schriftelijk te beschrijven (in taal en symbolen). Vervolgens is deze methode door Laban en zijn opvolgers (o.a. Bartenieff, Bainbridge Cohen) verder ontwikkeld tot een uitgebreid framework met verschillende categorieën waarmee men menselijke beweging gestructureerd kan bestuderen en choreograferen. De huidige toepassing van Laban/Bartenieff bewegingsanalyse is sterk beïnvloed door somatische praktijken zoals Body-Mind Centering en Feldenkrais. Anno 2018 wordt deze vorm van bewegingsanalyse niet alleen gebruikt in dans en theater, maar ook in andere disciplines zoals antropologie en robotica.

Cunningham/Cage – Met de ‘Chance Procedure’ van Merce Cunningham en John Cage kwam ik in aanraking tijdens mijn scholarship aan de Cunningham Studio. Het is een spannende compositiemethode waarbij verschillende bewegingspartituren eerst los van elkaar uitgewerkt en vervolgens bij elkaar geplaatst worden. Zo wordt er op een onverwacht samenspel aangestuurd. Een ander voorbeeld is het aanleren van een lange frase op 9 die daarna ruimtelijk wordt veranderd waardoor je wordt teruggeworpen op de ankerpunten in de beweging zelf. De prettige frustratie die dit veroorzaakt leidt tot een specifieke performatieve focus en aanwezigheid.

Ook de systematische ‘minimalist dance’ van choreograaf Trisha Brown (haar ‘Accumulation’ is een prachtig voorbeeld van herhaling, toevoeging en vermenigvuldiging) en de systematische aanpak van choreograaf Nicole Beutler (bijvoorbeeld in haar stuk ‘The Square’, waarvoor ze de ‘score’ van de oorspronkelijke ‘square dance’ bewerkte) inspireren mij. Het werk van Ana Teresa de Keersmaker is ook gestoeld op ‘compositional scores’ waarin alledaagse beweging en dans zich verhouden tot muzikale en ruimtelijke (geometrische) structuren. Bijvoorbeeld ‘A Love Supreme’ en ‘Vortex Temporum’.

 

Kunstenaars en technologie

Geluid – Dick Raaijmakers (o.a. voormalige Philips Natlab) is een goed voorbeeld van een kunstenaar die met technologie werkt en beweging van verschillende soorten materialiteit in een specifieke ruimtelijke beleving plaatst. In zijn werk Grafische Methode Fiets vormen de lichamelijke processen van de fietser een geluidscompositie in relatie tot choreografie van lichaam en fiets. Het systematisch, analytisch en tegelijkertijd speels uitpluizen van de verschillende elementen van geluid vind ik zeer inspirerend.

Licht – Op het gebied van lichtontwerp is een van mijn inspiratiebronnen Olafur Eliasson. Eliasson spreekt in zijn werk alle zintuigen aan en speelt subtiel met specifieke aspecten van materialiteit zoals gewicht. Sinds ik in 2010 zijn expositie ‘Take your time’ in Sydney bezocht, zijn niet alleen de smaak en geur van mos me bijgebleven, maar ook het gevoel voor veerkracht van vers mos (…terwijl je het niet mocht aanraken). Bij de expositie ‘Motion: Notion’ in Boymans van Beuningen heb ik een half uur heen en weer gelopen in de eerste ruimte. Er waren veren bevestigd onder sommige van de vloerplanken, en het gewicht van het lijf van de bezoeker veroorzaakte een rimpeling in de projectie. Met dit effect werd de bezoeker zich bewust van het gewicht en kracht van het eigen lijf. In de volgende ruimte bleek dat deze handeling niet digitaal werd vertaald: de rimpelingen in de projectie bleken de weerspiegeling van de rimpelingen in een echt waterbad.

Machine performers – De afgelopen veertig jaar hebben verschillende kunstenaars op het gebied van roboticamechanische en robotische ‘machine performers’ gebruikt om schijnbaar levende creaturen te maken, of creaturen met specifieke gedragingen. Ik vind deze voorbeelden spannend omdat ze bepaalde menselijke gedragingen combineren met specifieke vormen van materialiteit. De herkenning van een vorm of gedraging (of soms beide) speelt een cruciale rol: bijvoorbeeld het cybernetische werk ‘Senster’ van pionier Edward Ihnatowicz. Deze geprogrammeerde sculptuur vertoont ‘life-like movements’ en is geprogrammeerd om te schrikken van luid geluid. Norman White’s ‘Hulpeloze Robot’ (1987–96) staat in de openbare ruimte en vraagt voorbijgangers om te worden verplaatst. Nadat hij verplaatst is, blijft hij doorvragen zodat de hulpvraag op misbruik begint te lijken. Ken Rinaldo’s ‘Autopoesis’ bestaat uit vijftien robotische sculpturen en ontwikkelde groepsgedrag op basis van het kunnen detecteren van elkaar en het publiek (Huhtamo 2004). Ook zijn er verschillende recente voorbeelden waarin de mens als onderdeel van een ecologie van ‘dingen’ beschouwdwordt, bijvoorbeeld ‘Enjeux’ van kondition pluriel, 2015.

 

 

Filosofie

Op filosofisch vlak verhoud ik mij tot twee stromingen: fenomenologie en actor-network theory. Tijdens mijn opleidingen danstheater (Laban Londen) en bewegingsanalyse (LIMS New York) heb ik uitvoerig kennisgemaakt met fenomenologie. Het beschrijven van beweging gebeurt nagenoeg altijd vanuit een‘experiential viewpoint’ en daarbij zijn inzichten binnen deze filosofische stroming zeer waardevol gebleken. Toen ik via collega-kunstenaar Marion Tränkle op het spoor werd gezet van ‘New Materialism’ en theorieën over ‘agency and action’, kwam er een schakel bij voor het beschrijven van de relatie tussen mens, object en ruimte. De theorie van ‘actor-network theory’ bood een tweede bodem voor het beschouwen van beweging in een netwerk van relaties. Zowel in actor-network theory als Laban/Bartenieff bewegingsanalyse staan woorden als element, actie,relatie, invloed en wederkerigheid centraal, maar actor-network theory bood een fris perspectief dat de afgelopen jaren in performance art veelvuldig toegepast wordt. De performatieve verhoudingen tussen alle entiteiten/agents/performers – dansers, licht, beeld, publiek, ruimte, klank, materiaal, woord en taal – gaan over het distribueren van ‘agency’.