artistic identity

Mijn kracht als choreografe ligt in het systematisch ontleden en herwerken van verschillende componenten van bewegingIn mijn artistieke praktijk refereer ik aan beweging als een ‘activiteit’ die uit verschillende parameters bestaat. Hierin staan elementen als initiatie, verloop, gewicht, textuur, tijd en (tegen)kracht centraal. Ik werk met deze factoren in beweging van het menselijk lichaam en in beweging van verschillende soorten materialiteit. Dit begon met mijn afstudeerproject aan LIMS in 2005, waarin ik door middel van Laban/Bartenieff bewegingsanalyse de ruimtelijke kenmerken van zowel het Guggenheim Museum als het Museum of Modern Art beschreef. Op deze manier wilde ik bepalen hoe de ruimte choreografisch bepalend was voor de bewegingspatronen van de bezoekers. Inmiddels werk ik op het snijvlak van dans en technologie in een wetenschappelijke omgeving. Sinds tien jaar ben ik als gastdocent verbonden aan de Academie voor Theater en Dans, en sinds tien jaar aan de Technische Universiteit Eindhoven. Aan beide instituten richt ik mij op het ontleden van beweging van mens en object in relatie tot de ruimte.

Compositional scores – Als onderzoeker gebruik ik ‘compositional scores’ (partituren). Mijn interesse voor‘compositional scores’ begon tijdens mijn studies aan Laban (Choreological Studies1) en kreeg een vervolg tijdens workshops met componist Matteo Fargion (WE LIVE HERE 2013 en Impulstanz Wenen 2014). De manier waarop Matteo ons aanmoedigde om gestructureerd en tegelijkertijd enorm speels met de ingrediënten vande ‘score’ om te gaan was een grote inspiratie. Je kunt de score beschouwen als een netwerk met specifieke entiteiten en onderlinge verhoudingen. Het creëren van een score is een manier om de entiteiten (op verschillende manieren) te specificeren, om deze vervolgens systematisch te choreograferen en er vooral ook speels mee om te gaan. Ik zet compositional scores in als werkvorm om specifieke choreografische en wetenschappelijke thema’s te combineren. Zoals een wiskundige (topologische) benadering waarbij het bestuderen van vormen en lijnen centraal staat, en een natuurkundige benadering waarbij een ‘immaterieel’ fenomeen zoals licht onderhevig lijkt aan zwaartekracht en weerstand.

Performing scores – Net zo interessant als het choreografisch creëren van een score vind ik het uitvoeren van de score. Tijdens ontmoeting van de ‘body’ van de performer en de ‘body’ van de score worden spanning en ontlading voelbaar:het (bijna) niet weten is net zo interessant als het wel weten. Je ziet als het ware een dialoog tussen enerzijds het systeem van de score en anderzijds de danser. Deze werkvorm is terug te leiden naar de ‘chance procedures’ van Cage en Cunningham (zie Context), en komt regelmatig terug in mijn lessen op de ATD: de studenten leren Laban/Bartenieff bewegingsanalyse choreografisch te hanteren door dans eerst systematischte ontleden en vervolgens te ‘remixen’. Het moment dat de ‘score’ van papier lichamelijk vorm krijgt in deruimte heeft altijd een verrassend verloop, voor zowel danser als kijker. Graag citeer ik hier Jonathan Burrows: ‘Scores make one not reproduce the image one has of performing something, but going back to the score onecan always retap into the conditions of the movement production.’ (Bron: 00.14.02-00.16.50).

%d bloggers liken dit: